Het barre vervolg

21/2/2020

In mijn vorige verhaal schreef ik over onze barre en prachtige tocht over de Carretera Austral. Alhoewel de plaats Villa O’Higgins vaak wordt gezien als eindpunt van deze route, ligt het officiële eindpunt nog zo’n acht kilometer verder, in Puerto Bahamondés. Dit klinkt als een grote havenplaats, maar is niet meer dan een kade waarvandaan enkele pontjes vertrekken richting Argentinië. Mijn vader en ik moesten ook zo’n pontje nemen.

 

We hebben al veel verhalen gehoord van reizigers die dagenlang moesten wachten op de pontverbinding vanwege ongunstige weersomstandigheden. We zaten natuurlijk al een klein beetje met een strak tijdschema (als we nog dingen willen ondernemen), dus dat baarde ons een beetje zorgen. We hadden een boeking voor een maandag, maar kregen al snel te horen dat die zou worden verplaatst naar dinsdag vanwege de harde wind.

 

Op de maandag hoorden we dat de overtocht door zou gaan, maar dat de marine altijd het laatste woord heeft. Het komt dus ook wel eens voor dat overtochten alsnóg wordt geannuleerd. We zijn maandagavond meteen van Villa O’Higgins naar dit officiële eindpunt gereden, om de volgende ochtend niet te laat te zijn voor de boot.

 

Nogmaals

 

We gingen uitgebreid op de foto met de twee borden die het einde van de carretera austral markeerden, toen we voor de verandering werden verrast door een plensbui. Direct náást deze twee borden zat een postje van de marine in twee aan elkaar grenzende containers. Ik ging erheen en vroeg of hij misschien een schuilplek had voor de regen waar we zouden kunnen slapen vannacht. In eerste instantie zei hij dat we hier niet mochten verblijven, en hij vroeg me tot wanneer we wilden blijven. Toen ik vertelde dat we morgenochtend met de pont mee zouden gaan, nodigde hij ons uit op zijn werkplek.

 

De marinepost

 

Zo leerden we Enzo kennen, de Chileense marinier. Hij is kort geleden voor een tweede maal gestationeerd op deze afgelegen post, wat betekend dat hij hier nog minimaal een jaar moet vertoeven. Het is eigenlijk een werk- en woonplek in een, hij heeft een keukentje, woonkamertje en een klein slaapkamertje met daarnaast de werkkamer met alle navigatie- en communicatieapparatuur die hij nodig heeft. Toen we onze spullen naar binnen droegen was hij druk in de weer in het keukentje om roerei voor ons te bereiden, want hij ging er vanuit dat we honger hadden als fietsers zijnde. We hadden slechts acht kilometer gefietst en vlak daarvoor gegeten, maar als fietsers hebben we inderdaad altijd honger, dus dat ging er evengoed wel in!

 

 

Slapen voor de foto, net echt toch?

 

Hij vindt de werkplek eigenlijk net iets te rustig naar zijn wens, er valt hier weinig te beleven en hij krijgt maar twee weken per jaar verlof. De rest van het jaar zit hij hier. Je kunt overal in het land worden gestationeerd, zelfs op Antarctica. Na 20-25 dienstjaren voor de overheid kun je met pensioen gaan, wat in Enzo’s geval rond de leeftijd van 45 zal zijn. Niet slecht! De rest van de Chilenen moeten dan nog twintig jaar doorbuffelen!

 

We hoefden ons nergens druk om te maken wat betreft de overtocht, want Enzo is de man met het laatste woord en hij zegt dat alles er gunstig uitzien. We konden dus met een gerust hart gaan slapen in de heerlijk verwarmde container. Mijn vader maakte nog snel een foto van mij en Enzo voordat we afzakten richting de kade waar de boot al klaarstond.

 

Bedankt Enzo!

 

De boot zat zo goed als vol en er waren acht fietsen aan boord. Op de boot werden we nog aangesproken door Stan, een Belgische man die samen met zijn Zwitserse (verloofde) vriendin reist. Hij heeft zijn vriendin deze reis ten huwelijk en ze zei ja!! De overtocht viel ons alles mee en we waren in anderhalf uur bij de kade van Candelario Mancilla. Dit is nog steeds Chili. Eén kilometer verderop is er een klein provisorisch uitziend grenspostje waar we onze exit-stempel moesten halen.

 

Het reusachtige schip

 

De kapitein

 

De enige foto die we hebben van Stan en Pauline!

 

Deze grensovergang is alleen te voet of te fiets toegankelijk en is maar drie maanden per jaar geopend. Er zijn maar iets van 2000 personen per jaar die hier de grens passeren, dus het was niet bepaald druk. Mijn vader en ik waren eigenlijk het slechts (en het zwaarst) uitgerust voor de onverharde weg die ons wachtte, dus we waren al snel de laatste twee van de groep. Het is een weg van 20 kilometer om aan te komen bij de Argentijnse grenspost, waarvan je de laatste 5 kilometer door een modderig bospaadje moet lopen. Met de fiets aan de hand ploeterden we ons door deze verschrikkelijke weg. We moesten onze zware fietsen om verschillende omgevallen bomen heen begeleiden, door meerder riviertjes en over diepe modderige ondergronden heen slepen. Het kostte ons iets van vier uur (!) om deze 5 kilometer af te leggen. Op het laatst was voor mij de lol er ook wel vanaf, het ging mijn vader beter af.

 

Spitsuur bij de grenspost

 

 

Wie heeft er een zijstandaard nodig als je ook modder hebt?

 

Bijna bij het volgende meer

 

Aan het einde van de dag kwamen we (vooral ik) afgepeigerd aan bij de Argentijnse grenspost. Ook deze grenspost grenst aan een meer waar we met een volgend pontje overheen moesten. Ik klopte aan bij het gebouwtje. Geen gehoor. Ik klopte nogmaals aan en zag vanuit mijn ooghoeken een man aanspurten van de oeverkant van het meer, gewapend met een vishengel onder zijn arm. Het was de douanebeambte. Hij opende het kantoortje, keek quasi-serieus in onze paspoorten en gaf ons toen de stempels.

 

De grenspost

 

De pont zou pas de volgende morgen vertrekken, maar we konden op het grote grasveld kamperen dat aan de kade lag. Het was meteen een kleine reünie met de zes andere fietsers met wie we die ochtend in de eerste pont zaten. Het was voor iedereen een zware dag geweest en mijn vader en ik gingen vrijwel meteen slapen nadat we hadden gegeten.

 

De volgende morgen om 11 uur kwam er een bootje aangevaren die ons kon meenemen. We mochten tachtig Amerikaanse dollars neertellen voor een overtocht van zo’n 12 kilometer, dus ze maken slim gebruik van het feit dat we niet bepaald een alternatief hadden. Ach ja.

 

 

De overtocht was kort maar krachtig, we voeren langs een grote gletsjer en hadden in de verte zicht op Mount Fitzroy. Deze berg is veel hoger dan alle andere bergen in de omgeving, dus je kunt ‘m van heinde en ver al zien aankomen. Het plaatsje El Chaltén ontleend zijn bestaansrecht eigenlijk volledig aan deze berg, omdat er velen trails zijn waar velen backpackers op af komen. Voor mijn vader en mij was dit dorpje het doel van de dag. Eenmaal aan de overkant van het meer hebben we een bak koffie gedronken bij het eerste beste restaurantje dat we tegenkwamen. Stan en Pauline kwamen heel toevallig net aangelopen, ze waren om het meer heengelopen, iets wat onmogelijk (niets is onmogelijk) zou zijn geweest met onze fietsen.

 

Na vijfhonderd kilometer onverhard, kwamen we bij het binnenfietsen van El Chaltén eindelijk weer op een geasfalteerde weg. Wat een heilig moment! We kwamen langs de ene beer&burger tent na de andere, overal stonden de borden met happy hour naar ons te lonken. Na de barre overtocht konden we de verleiding van een pizza met een lekker biertje niet weerstaan. Toen we weer eens verbinding maakten met het krakkemikkige Wi-Fi signaal van het restaurantje kregen we het geweldige nieuws door uit Nederland dat mijn zus haar HBO-V diploma op zak heeft. Het is een lijdensweg voor haar geweest, dus we waren ontzettend blij voor d’r. Dat was een reden om een extra biertje te nemen, natuurlijk.

 

KANNIEWAARZIJN! ASFALT!!

 

We gunden onszelf geen tijd om in El Chaltén te blijven voor een van de velen wandeltochten, we hadden allebei zin om door te fietsen. Bij het verlaten van El Chaltén hadden we trouwens prachtig zicht om Mount Fitzroy (als we omkeken dan). Deze berg is zó exceptioneel hoog voor deze omgeving, dat we ‘m op een afstand van 170 kilometer nog konden zien. Als deze berg in Brussel zou staan, zou je 'm vanaf Amsterdam kunnen zien. Bij het verlaten van El Calafate hadden we de best voorstelbare meewind ooit. Binnen drie uur legden we negentig kilometer af.

 

 Mount Fitzroy. Oh en mijn vader natuurlijk

Langzaam maar zeker...

Verkleinde Mount Fitzroy...

 

Terwijl onze honger omgekeerd evenredig toenam. De overblijfselen van de pizza gingen natuurlijk mee als lunch

 

Twee dagen en tweehonderdvijftien kilometer later reden we El Calafate binnen, nog zo’n plaatsje dat zijn toeristische bestaansrecht ontleend aan één attractie: de perrito moreno gletsjer. Op één van onze rustdagen zijn we met de bus naar deze reusachtige gletsjer geweest. Deze dikke ijsberg is 50 meter hoog, 5 kilometer breed en 35 kilometer lang. Alles in Patagonië lijkt wel reusachtig te zijn. Drie keer raden wie er voor kozen om precies op dezelfde dag, op het zelfde tijdstip en met dezelfde busmaatschappij richting de gletsjer te gaan… Wederom Stan en Pauline. Onze paden bleven elkaar maar kruizen, het is waarschijnlijk een teken.

 

De gletsjer was ongelofelijk spectaculair om gezien te hebben en ik heb het idee dat we voor de rest van onze levens een beetje verwend zijn wat betreft de gletsjers. Ik zal niet snel meer onder de indruk zijn van een gletsjer na het zien van deze. Af en toe vielen brokken ijs tientallen meters naar beneden in het water, met doffe knallen als gevolg. Honderden foto’s en verschillende uren later was het tijd om terug te keren.

 

 

 

Deze gletsjer lijkt door te lopen tot in de oneindigheid

 

Ik heb al een keer genoemd dat het leuk zou zijn als mijn vader een verhaal zou schrijven, om zijn kijk op dingen eens te laten zien in plaats van de mijne. Dat gaat eindelijk gebeuren. Mijn vader zal het volgende deel op zich nemen, waarin we onze weg via een (vind ik dan) koud, leeg en wijds  steppenlandschap zullen vervolgen. To be continued……..

 

Bloedserieus bezig met een nieuwe blog

 

Please reload

28/4/2020

Please reload

Recente blogs (Nederlands/Dutch)

Recent blogs (English)

April 28, 2020

Please reload

©2019 by Jelle.